Sander Dijksma • 10 augustus 2026

Maintrailing onder de loep: hoe betrouwbaar is de eerste spoorkeuze?

Bij mantrailing krijgt een hond doorgaans een geurartikel van een specifiek persoon aangeboden, waarna hij het spoor van die persoon moet selecteren en volgen. Dat lijkt op het eerste gezicht eenvoudig te omschrijven, maar onderliggend wordt een belangrijke aanname gedaan: de hond moet alleen een menselijk spoor kunnen volgen, maar ook kunnen bepalen welk spoor hoort bij de individuele geur die op het geurartikel wordt aangeboden.

Juist dat eerste beslismoment stond centraal in een in 2026 gepubliceerd onderzoek van Vera Volmary. Onder gerandomiseerde en dubbelblinde veldomstandigheden werd onderzocht of mantrailinghonden bij de start betrouwbaar het juiste individuele spoor konden selecteren.


De uitkomsten zijn interessant, maar vragen ook om nuance. Het onderzoek toont namelijk niet aan dat honden geen menselijke geuren kunnen onderscheiden of dat zij geen spoor kunnen volgen. De vraag was veel specifieker.


Individuele geur herkennen is niet hetzelfde als het juiste spoor kiezen

Uit eerder gecontroleerd laboratoriumonderzoek weten we dat honden in staat zijn onderscheid te maken tussen menselijke geuren. Denk bijvoorbeeld aan scent line-ups en match-to-sample-opstellingen, waarbij een aangeboden referentiegeur moet worden gekoppeld aan één van meerdere afzonderlijke geurmonsters.


Een mantrailingsituatie is echter wezenlijk anders. Daar moet een hond een geur die afkomstig is van een voorwerp koppelen aan geurinformatie die verspreid aanwezig is in een complexe omgeving. Die informatie kan bovendien gefragmenteerd, verdund of door andere omstandigheden beïnvloed zijn.


De onderzoekers wilden daarom niet opnieuw aantonen of honden menselijke geur kunnen discrimineren. Zij stelden een andere vraag:


Kunnen getrainde mantrailhonden onder realistische veldomstandigheden betrouwbaar bepalen welk spoor bij de aangeboden individuele geur hoort, wanneer andere informatiebronnen zo veel mogelijk worden uitgesloten?


Daarbij is vooral de initiële spoorkeuze belangrijk. De hond kan na het kiezen van een richting namelijk langdurig en overtuigend een spoor blijven volgen. Dat zegt op zichzelf nog niet dat hij bij de start daadwerkelijk het spoor van de juiste persoon heeft geselecteerd.


Hoe werd het onderzoek uitgevoerd?

Aan het onderzoek namen 70 hond-geleidercombinaties deel. De honden verschilden sterk in achtergrond en ervaring. Er waren operationeel ingezette honden, sporthonden en recreatief getrainde mantrailhonden. Ongeveer 60 procent had een formeel mantrailingexamen of een deel daarvan behaald.


Het onderzoek werd uitgevoerd als een prospectief, gerandomiseerd en dubbelblind veldexperiment.


Dubbelblind betekende hier dat de geleider en het begeleidende personeel tijdenms de zoeking niet wisten:

  • welk persoon de targetpersoon was;
  • in welke richting deze persoon was vertrokken;
  • en, bij bepaalde testen, of er sowieso een passend spoor aanwezig was.


De randomisatie vond op meerdere niveaus plaats. Onder meer de looprichting, de targetpersoon en de aanwezigheid van negatieve zoekingen werden door loting bepaald. Hiermee wilden de onderzoekers voorkomen dat verwachtingen of onbedoelde aanwijzingen de keuze van de hond of geleider zouden beïnvloeden.


De testen vonden plaats op twee voormalige militaire terreinen met onder andere asfalt, grind, gras, bebouwing en vegetatie. De spoorleeftijd lag doorgaans tussen ongeveer 15 en 30 minuten. Als geurartikel werden zwarte sokken gebruikt die ongeveer een dag door de betreffende personen waren gedragen. Deze werden afzonderlijk bewaard in identieke glazen containers.


Twee verschillende testopstellingen

De teams kregen twee typen opdrachten. Bij de single-trail test vertrok één persoon vanaf een kruising met vier mogelijke richtingen. De hond moest bepalen in welke richting het aanwezige spoor liep.


Bij de scent-discrimination test vertrokken vier onbekende personen tegelijkertijd in vier verschillende richtingen. De hond kreeg vervolgens een willekeurig geselecteerd geurartikel aangeboden en moest het spoor kiezen van de persoon bij wie dit geurartikel hoorde.


Daar kwam nog een belangrijk element bij: er konden ook negatieve trials voorkomen. In zo'n situatie kreeg de hond een geurartikel aangeboden van iemand die helemaal geen spoor had gelegd. De correcte beslissing was dan dus juist om geen van de aanwezige sporen als doelspoor te selecteren.


Dat laatste is methodologisch belangrijk. Alleen positieve zoekingen maken het immers moeilijk om te bepalen of een hond werkelijk de individuele targetgeur gebruikt of simpelweg leert dat er altijd ergens een spoor gekozen moet worden.


Wat kwam eruit?

In totaal werden 166 veldtesten uitgevoerd: 72 single-trail-tests en 94 scent-discrimination-tests.


Bij de single-trail-tests oriënteerden de honden zich in 28% van de gevallen correct richting het doelspoor. Omdat er vier mogelijke richtingen waren, bedroeg de statistische toevalsverwachting 25%.


Bij de scent-discrimination-test was 18% van de beslissingen correct. De bijbehorende toevalsverwachting bedroeg 20%.


Wanneer daadwerkelijk een doelspoor aanwezig was, werd in 19,7% van de gevallen correct gediscrimineerd. In negatieve trials werd in 11,1% van de gevallen correct besloten geen spoor te kiezen. De juiste targetpersoon werd uiteindelijk in 9% van de discriminatietesten gevonden, terwijl in 19% een verkeerde persoon werd gevonden.


Statistisch bleven de resultaten daarmee binnen wat op basis van toeval verwacht mocht worden.


Een eenmalig succes is nog geen betrouwbare vaardigheid

Een bijzonder interessant onderdeel van het onderzoek was de herhaalde test. Teams die in de eerste ronde een correcte of deeld veelbelovende prestatie hadden laten zien, werden opnieuw getest. Daarmee kon worden onderzocht of succesvolle prestaties ook reproduceerbaar waren.


Van de 70 teams werden er 20 geselecteerd voor een tweede ronde. Daar behaalden drie teams een true-positive resultaat. Vervolgens werden vijf teams nog een derde keer getest. In die derde ronde behaalde geen enkel team een correcte uitkomst.


Ook bij de geselecteerde teams stabiliseerde de prestatie dus niet boven toevalsniveau.


Dat is een belangrijk punt wanneer prestaties van werkhonden worden beoordeeld. Een correcte uitkomst tijdens één zoeking bewijst nog niet automatisch dat de onderliggende discriminatievaardigheid betrouwbaar aanwezig is. Daarvoor moet de prestatie onder gecontroleerde omstandigheden herhaald kunnen worden.


Een spoor volgen of het juiste spoor volgen?

Misschien wel het interessantste onderscheid uit het onderzoek is dat tussen trail following en trail selection. Meerdere honden bleken eenmaal gekozen sporen over aanzienlijke afstand te kunnen volgen. Het probleem was dat het gekozen spoor niet betrouwbaar het spoor van de targetpersoon bleek te zijn.


Een hond kan dus overtuigend speurgedrag laten zien, richting kiezen, commitment tonen en een bestaand menselijk spoor volgen, terwijl daarmee nog niet is aangetoond dat hij dat spoor heeft geselecteerd op basis van de individuele geur van het aangeboden geurartikel.


Voor training en beoordeling is dat onderscheid wezenlijk.


De mogelijke invloed van andere informatie

De onderzoekers bespreken daarnaast de mogelijke rol van niet-olfactorische informatie. Honden werken nooit in een volledig informatiearme omgeving. Zij kunnen leren van ruimtelijke patronen, zoekroutines, lichaamstaal, beweging van de geleider, context en verwachtingen. In eerder onderzoek met detectiehonden is al aangetoond dat verwachtingen van geleiders invloed kunnen hebben op zoekgedrag en de beoordeling daarvan.


Ook in dit onderzoek werden gedragingen waargenomen die volgens de auteur passen bij onder meer cueing en condition bias. In sommige gevallen volgden honden bijvoorbeeld trajecten die overeenkwamen met vooraf geplande, maar uiteindelijk niet gebruikte routes.


Vanuit leertheoretisch perspectief is dat interessant. Wanneer contextuele of sociale aanwijzingen voorspelbaarder zijn dan de relevante geurinformatie, kunnen juist die aanwizjingen controle krijgen over het gedrag.


Meer trainen hoeft dan niet automatisch te betekenen dat de hond beter leert discrimineren op basis van de targetgeur. Het kan ook betekenen dat bepaalde zoekstrategieën, verwachtingen of contextuele routines steeds sterker worden.


Wat zegt dit onderzoek niét?

Hier is zorgvuldigheid belangrijk. Dit onderzoek zegt niet dat honden geen menselijke geuren kunnen onderscheiden. De algemene olfactorische discriminatiecapaciteit van honden staat hier niet ter discussie.


Het onderzoek zegt ook niet dat iedere vorm van mantrailing, speuren of geurzoeken waardeloos is.


De conclusie is veel specifieker:

Binnen de onderzochte opzet konden de mantrailinghonden niet reproduceerbaar boven toevalsniveau aantonen dat zij bij de start op basis van een geurartikel het juiste individuele spoor uit concurrerende sporen selecteerden.


De auteur benadrukt zelf dat deze bevindingen niet zonder meer overdraagbaar zijn naar detectiehonden of andere vormen van scent-based-search.


Ook moet worden bedacht dat de gekozen uitkomstmaat streng was. De onderzoekers beoordeelden specifiek de eerste richtingskeuze. Dat is niet hetzelfde als het beoordelen van het volledige operationele zoekproces. Tegelijkertijd was juist deze keuze bewust gemaakt, omdat de initiële spoorselectie essentieel is wanneer aan de uitkomst persoonsgebonden of forensische betekenis wordt toegekend.


Wat kunnen we hiervan meenemen naar de praktijk?

Voor mij zit de waarde van dit onderzoek niet in de boodschap dat een bepaalde discipline 'wel' of  'niet' werkt. De belangrijkste les zit in hoe kritisch we kijken naar wat gedrag van een hond daadwerkelijk bewijst.


Een hond die een spoor oppakt en overtuigend volgt, toont daarmee zoek- en volgvaardigheid. Maar wanneer we willen stellen dat de hond specifiek het spoor van één bepaalde persoon heeft geselecteerd op basis van een aangeboden referentiegeur, stellen we een veel zwaardere eis.


Daarom zijn onder meer blind en dubbelblind trainen, negatieve sporen/zoekingen, controles, de randomisatie en herhaalbaarheid zo belangrijk. Niet om het werk van hond en geleider kunstmatig moeilijk te maken, maar om zo goed mogelijk te kunnen onderscheiden welke stimulus het gedrag daadwerkelijk aanstuurt.


Dat sluit aan bij een belangrijk uitgangspunt binnen evidence-informed trainen: niet alleen kijken naar wat lijkt te werken, maar ook kritisch onderzoeken waarom het werkt en of hetzelfde resultaat onder gecontroleerde omstandigheden opnieuw optreedt.


Wetenschappelijk onderzoek zoals dit hoeft daarmee niet tegenover de praktijk te staan. Het kan juist helpen om die praktijk scherper te bekijken, trainingsvragen beter te formuleren en aannames te toetsen.


Bron

Dit artikel is een Nederlandse bespreking en samenvatting door Sander Dijksma/Dogtection B.V. van:


Volmary, V. (2026). Initial trail selection in mantrailing dogs under double-blind field conditions: a statistical evaluation of scent discrimination performance. Forensic Science International: Synergy, 12, 100682. DOI: 10.1016/j.fsisyn.2026.100682. Het oorspronkelijke artikel is open access gepubliceerd onder een CC BY-NC-ND 4.0-licentie.


Auteur van deze bespreking: Sander Dijksma

Het oorspronkelijke onderzoek is niet uitgevoerd door Dogtection B.V.

door Sander Dijksma 7 september 2026
Hoe herkent een hond geur? Lees hoe geurmoleculen meerdere receptoren activeren en hoe patroonherkenning bijdraagt aan geurperceptie en K9-neuswerk.
door Sander Dijksma 6 september 2026
Hoe bemonstert een hond geur tijdens het snuffelen? Lees hoe snuffelademhaling, luchtstromen en de anatomie van de hondenneus bijdragen aan geurdetectie.
door Sander Dijksma 31 juli 2025
Wanneer we nadenken over het gedrag van onze honden, stellen we ons vaak de vraag: waarom doet mijn hond dit of dat? Deze vraag leidt ons naar een van de meest intrigerende discussies binnen de hondenwereld: het debat tussen 'nature' (aangeboren) en 'nurture' (opgevoed). Net als bij mensen zijn de gedragingen van honden het resultaat van zowel hun genetische achtergrond als de omgevingsfactoren waarmee ze worden geconfronteerd. In deze blog onderzoeken we hoe deze twee elementen inwerken op het gedrag van verschillende hondenrassen en hoe ze onze interactie met deze trouwe viervoeters beïnvloeden.
Meer posts