Links of rechts vertrekken bij volgen of blijven: context of onnodige discriminatie?

Binnen de hondentraining wordt vaak geleerd dat de geleider bij het volgen met het been moet vertrekken dat zich het dichtst bij de hond bevindt. Loopt de hond links van de geleider, dan wordt dus eerst met het linkerbeen een stap gezet. Wanneer de hond daarentegen in een positie moet blijven, bijvoorbeeld in zit of af, zou de geleider juist moeten vertrekken met het been dat zich het verst van de hond bevindt: bij een hond links dus met het rechterbeen.
Het onderscheid tussen de benen als discriminatieve stimulus
De gedachte hierachter is dat het verschil tussen beide bewegingen de hond extra context verschaft. Het linkerbeen zou in dit voorbeeld betekenen: we gaan samen bewegen, terwijl het rechterbeen betekent: ik beweeg, maar jij blijft waar je bent.
De vraag is echter of dit onderscheid daadwerkelijk noodzakelijk of wenselijk is en of wetenschappelijk onderzoek ondersteunt dat het voor een hond van belang is met welk been de geleider als eerste vertrekt.
Vanuit de leertheorie is het absoluut mogelijk dat een hond onderscheid leert maken tussen het linker- en rechterbeen van de geleider. Wanneer consequent geldt dat beweging van het linkerbeen wordt gevolgd door samen te vertrekken en beweging van het rechterbeen door het achterblijven van de hond, kunnen beide bewegingen een verschillende voorspellende waarde krijgen.
Het naar voren bewegen van het linkerbeen kan daarmee een discriminatieve stimulus worden voor volgen, terwijl het naar voren bewegen van het rechterbeen een discriminatieve stimulus kan worden voor het behouden van de positie.
Er is echter niets intrinsieks aan het linker- of rechterbeen waardoor een hond deze betekenis vanzelf zou begrijpen. De betekenis ontstaat uitsluitend door de leertheorie. Wanneer men het systeem consequent zou omdraaien, rechterbeen betekent volgen en linkerbeen betekent blijven, zou een hond in principe ook die discriminatie kunnen leren.
Dat een hond onderscheid kan leren maken tussen beide beenbewegingen, betekent daarom nog niet dat het noodzakelijk is om hem dat onderscheid te leren.
Wat moet het commando eigenlijk betekenen?
Een andere benadering is dat een commando zoals zit, af of sta niet alleen het innemen van een positie aangeeft, maar ook het behouden daarvan.
Binnen dat systeem betekent bijvoorbeeld:
Zit = neem de zitpositie in en behoud die positie totdat een ander commando of een vrijgavecommando wordt gegeven.
Een afzonderlijk commando blijf is dan niet noodzakelijk. De duur maakt immers al onderdeel uit van de betekenis van het commando.
Hetzelfde principe kan worden toegepast op af en sta. De hond verlaat de positie niet doordat de geleider beweegt, maar uitsluitend nadat hij daarvoor nieuwe informatie krijgt, bijvoorbeeld een nieuw gedrags-commando of een vrijgavecommando.
Vanuit die benadering behoort het been waarmee de geleider vertrekt juist geen relevante informatie te bevatten.
De hond zou dus moeten leren:
- geleider beweegt linkerbeen = positie behouden;
- geleider beweegt rechterbeen = positie behouden;
- geleider loopt vooruit = positie behouden;
- geleider loopt achteruit = positie behouden;
- geleider draait weg = positie behouden;
- geleider loopt om de hond heen = positie behouden;
- geleider rent weg = positie behouden;
- nieuw commando of vrijgavecommando = positie mag worden verlaten.
Het doel is daarmee niet het leren onderscheiden van linker- en rechterbeen, maar juist het generaliseren van de positie ondanks variaties in het gedrag van de geleider.
Context versus stimuluscontrole
Hier ontstaat een belangrijk onderscheid tussen het verschaffen van context en het verkrijgen van zuivere stimuluscontrole.
Context kan tijdens het leerproces behulpzaam zijn. Een voorspelbare lichaamshouding, positie van de geleider of bewegingsrichting kan het voor een hond aanvankelijk gemakkelijker maken om een opdracht correct uit te voeren.
Het risico ontstaat wanneer deze context onderdeel wordt van de stimulusconfiguratie waarop de hond daadwerkelijk leert reageren.
Wanneer de geleider bijvoorbeeld tegelijkertijd:
- het woord zit geeft;
- een handgebaar maakt;
- in een bepaalde houding staat;
- op een bepaalde afstand staat;
- en vervolgens met een specifiek been vertrekt,
krijgt de hond niet één commando aangeboden, maar een samengestelde stimulus (compound stimulus).
Het is vervolgens niet vanzelfsprekend dat juist het verbale signaal zit de grootste stimuluscontrole over het gedrag krijgt.
Wetenschappelijk onderzoek naar samengestelde commando’s
Dit principe wordt ondersteund door onderzoek van Gibstone et al. (2021). Zij onderzochten hoe honden reageerden op een samengestelde stimulus die bestond uit een gelijktijdig visueel en auditief signaal.
De honden reageerden gemiddeld in 85% van de gevallen correct wanneer beide elementen samen werden aangeboden. Wanneer de elementen vervolgens afzonderlijk werden getest, daalde de prestatie tot gemiddeld 56,5% bij alleen het visuele signaal en 67,5% bij alleen het auditieve signaal. Bovendien bleek het gedrag bij individuele honden sterker onder controle te staan van één van beide elementen: het voorkeurs-element leverde gemiddeld 77,25% correcte reacties op tegenover 46,75% bij het minder dominante element. Welk element dominant werd, verschilde bovendien tussen honden.
Dat is relevant voor hondentraining, omdat het laat zien dat een hond bij een combinatie van signalen niet noodzakelijk aan alle onderdelen dezelfde betekenis toekent.
Eerder onderzoek van Skyrme & Mills naar gelijktijdig aangeboden verbale en visuele commando’s vond eveneens aanwijzingen voor overshadowing: wanneer verschillende stimuli tegelijkertijd worden aangeboden, kan één stimulus meer controle over het gedrag verkrijgen dan het andere.
Ook later onderzoek naar commando-modaliteit bij honden bespreekt expliciet dat lichaamshouding, richting, afstand en zichtbaarheid van de geleider onderdeel kunnen worden van de stimulusconfiguratie waarop de hond reageert. Wanneer gedrag onder controle komt van een samengesteld commando, hoeft niet iedere element daarvan in dezelfde mate controle over het gedrag te krijgen.
Wat betekent dit voor het linker- en rechterbeen?
Voor zover uit de wetenschappelijke literatuur kan worden vastgesteld, is er geen peer-reviewed onderzoek gepubliceerd waarin specifiek is getest of een hond beter in positie blijft wanneer een geleider bij een links geplaatste hond met het rechterbeen vertrekt in plaats van met het linkerbeen.
Er kan daarom niet worden gesteld dat wetenschappelijk is aangetoond dat het rechterbeen bij een blijf beter werkt. Omgekeerd kan evenmin worden gesteld dat wetenschappelijk specifiek is bewezen dat het absoluut geen verschil maakt welk been wordt gebruikt.
Wat de wetenschap wel ondersteunt, is het onderliggende principe dat een beenbeweging door consequente training stimuluscontrole kan verkrijgen en dus voor de hond betekenis kan krijgen. Dat is echter het gevolg van discriminatieleren, niet van een natuurlijke of aangeboren betekenis van links of rechts.
De relevante vraag wordt daardoor:
Willen we eigenlijk dat de hond onderscheid leert maken tussen beide benen?
Wanneer het trainingsdoel luidt dat zit betekent dat de hond blijft zitten totdat hij een nieuw commando krijgt, is dat onderscheid niet noodzakelijk. Sterker nog, dan kan het bewust betekenis geven aan linker- en rechterbeen contraproductief zijn.
De trainer creëert daarmee immers een extra discriminatie terwijl het uiteindelijke doel juist kan zijn dat bewegingen van de geleider geen invloed hebben op het aangeleerde gedrag.
Het probleem met een afzonderlijk ‘blijf’-commando
Hetzelfde geldt voor het toevoegen van een afzonderlijk commando blijf of een extra handgebaar.
Wanneer zit in eerste instantie alleen betekent "ga zitten" en vervolgens blijf noodzakelijk is om de positie daadwerkelijk te behouden, worden feitelijk twee verschillende opdrachten gecreëerd.
Binnen een systeem waarin duur vanaf het begin onderdeel is van het positiecommando is dat niet nodig:
- zit = zitten en blijven zitten;
- af = liggen en blijven liggen;
- sta = staan en blijven staan.
Pas een ander commando of een vrijgavecommando beëindigt het gedrag.
Het toevoegen van blijf, een handgebaar en een bepaalde beenbeweging levert bovendien steeds meer elementen van een samengesteld commando op. Daarmee neemt de mogelijkheid toe dat het gedrag onder controle komt van andere elementen dan degene die de trainer uiteindelijk belangrijk vindt.
Een hond die alleen betrouwbaar blijft zitten wanneer de geleider het juiste handgebaar maakt en met het juiste been vertrekt, heeft niet noodzakelijk een beter begrip van zit. Het kan juist betekenen dat het gedrag onvoldoende is gegeneraliseerd en te sterk afhankelijk is geworden van specifieke contextuele stimuli.
Discriminatie waar nodig, generalisatie waar mogelijk
De essentie zit daarom in de vraag welke stimuli voor de hond betekenis moeten hebben.
Wanneer de trainer bewust wil dat:
- linkerbeen = kom mee, en;
- rechterbeen = blijf in positie,
dan kan dat prima worden aangeleerd. Het betreft dan een functionele discriminatie tussen twee stimuli.
Wanneer daarentegen het commando zit volledige stimuluscontrole over het behouden van de positie moet krijgen, behoort het bewegen van het linker- of rechterbeen juist tot de stimuli waarop moet worden gegeneraliseerd.
Dat onderscheid is fundamenteel:
- discriminatie: de hond leert dat verschillen tussen stimuli betekenis hebben;
- generalisatie: de hond leert dat bepaalde verschillen geen betekenis hebben voor de uit te voeren opdracht.
Goede training bestaat daarom niet uit het verschaffen van zoveel mogelijk context, maar uit het zorgvuldig bepalen welke context relevant is en welke context irrelevant moet worden gemaakt.
Conclusie
De traditionele regel om bij volgen met het been naast de hond te vertrekken en bij blijven met het andere been, is leertheoretisch mogelijk en kan door consequente training een duidelijk onderscheid voor de hond opleveren. De beide beenbewegingen functioneren dan als discriminatieve stimuli.
Er is echter geen wetenschappelijke onderbouwing gevonden voor de stelling dat deze specifieke links-rechtsverdeling noodzakelijk is of dat een hond daardoor beter leert blijven.
Onderzoek naar stimuluscontrole en samengestelde commando’s laat juist zien dat honden bij meerdere gelijktijdige signalen selectief controle kunnen laten ontstaan door slechts een deel van die stimulusconfiguratie. Daardoor kan bijvoorbeeld lichaamstaal meer invloed op het gedrag krijgen dan oorspronkelijk door de trainer werd bedoeld.
Wanneer het uitgangspunt is dat een positiecommando geldig blijft totdat een nieuw commando of vrijgavecommando wordt gegeven, bestaat er daarom geen noodzaak om het linker- en rechterbeen verschillende betekenissen te geven.
In dat trainingssysteem is het zelfs logischer om bewust met beide benen te vertrekken en allerlei andere bewegingen van de geleider te trainen. Daarmee leert de hond niet:
"rechterbeen betekent dat ik moet blijven zitten", maar
"zit betekent dat ik blijf zitten, ongeacht wat de geleider vervolgens doet, totdat ik informatie krijg dat mijn opdracht verandert."
Daarmee verschuift de nadruk van contextafhankelijk gedrag naar duidelijke stimuluscontrole en generalisatie.
Bronnen
- Anderson, M. A. B., Otero, D. K., Peruyero, P., & Dorey, N. R. (2023). The effects of cue modality on reliability and generalization of training outcomes with domestic dog. Journal of Veterinary Behavior, 60, 8-12;
- Gibsone, S., McBride, E. A., Redhead, E. S., Cameron, K. E., & Bizo, L. A. (2021). The effectiveness of visual and auditory elements of a compound stimulus in controlling behavior in the domestic dog (Canis familiaris). Journal of Veterinary Behavior, 46, 87-96;
- Skyrme, R., & Mills, D. S. (2010). An investigation into potential overshadowing of verbal commands during training. Journal of Veterinary Behavior, 5(1), 42.


